DE EXHIBITIEVORDERING IN HET PROCESRECHT

Laat zien wat je hebt!

In civiele procedures speelt waarheidsvinding een belangrijke rol. Maar in de praktijk kan het soms wel even duren voordat alle voor de beslissing van belang zijnde feiten bekend (en bewezen) zijn. Geheel anders gaat dat in bijvoorbeeld het Amerikaanse systeem. In dat systeem bestaan bijna onbeperkte mogelijkheden tot feitenvergaring (grotendeels) buiten de rechter om: (pre-trial) discovery. Het voordeel voor advocaten is dat zij een meer centrale rol spelen in dat proces en dat de (meeste) feiten reeds in een vroeg stadium bij alle partijen bekend zijn. Het nadeel is dat discovery proceedings geruime tijd in beslag kunnnen nemen, dat lang niet alle feiten voor een beslissing van het geschil zelf van belang zijn en dat er doorgaans hoge kosten aan zijn verbonden.

Het spreekt voor zich dat de keuze om al dan niet een procedure aanhangig te maken mede afhangt van de feiten waarover een partij beschikt en de inschatting die ten aanzien van de bewijsbaarheid daarvan wordt gemaakt. Omdat ons recht slechts beperkte mogelijkheden tot discovery kent, in het bijzonder het voorlopig getuigenverhoor, het voorlopig deskundigenbericht en de exhibitieprocedure van artikel 843a Rv, wordt in Nederland maar ook hier nog wel eens de toevlucht tot andere procedures genomen om feiten te vergaren.

Denk in dat verband aan:

  • Tuchtrechtelijke procedures tegen advocaten, accountants en medici.
  • De enquêteprocedure bij het Hof, die in de huidige omvang in Curaçao pas sinds 1 januari 2012 bestaat (in Nederland al veel langer en daar is de Ondernemingskamer van Hof Amsterdam bevoegd).
  • Het doen van aangifte in de hoop dat een strafzaak wordt begonnen.
  • Het aanvragen van een faillissement zodat de curator onderzoek kan verrichten. In dat verband kan het interessant zijn om lid te zijn van de commissie van schuldeisers. 
  • Het inlichten van de toezichthouder (Centrale Bank) omtrent vermeende misdragingen van bijvoorbeeld een bank of beleggingsfonds.
  • Als er een internationaal aanknopingspunt voor is, het gebruik maken van discovery mogelijkheden in een andere jurisdictie.

Met een beetje geluk komen via een dergelijke procedure feiten naar boven die het makkelijker maken om de beslissing te nemen om al dan niet een procedure te starten of die in een burgerlijk proces kunnen worden gebruikt. En ook al beschikt men als partij die het instellen van een civiele vordering overweegt niet in al deze procedures over het (volledige) dossier, er kan wel informatie boven water komen die het succesvol instellen van een voorlopig getuigenverhoor of een vordering ex artikel 843a Rv mogelijk maken (het Caribische en Nederlandse procesrecht zijn op dit vlak vergelijkbaar). Zo zou, bijvoorbeeld, tijdens een strafzaak het bestaan van een bepaald document kunnen blijken, dat vervolgens via de procedure van artikel 843a Rv kan worden opgevraagd.

Dit blijft natuurlijk allemaal een beetje behelpen, niet alleen omdat je als potentiële civiele partij niet in al die procedures partij kunt zijn en omdat je doorgaans niet over alle stukken kunt beschikken, maar ieder orgaan dat een zaak moet beoordelen maakt een eigen schifting van feiten en stukken die relevant worden geacht. En wat de eventuele beoordeling in die verschillende procedures betreft, geldt dat die in een civiele procedure wel meewegen, maar niet op voorhand beslissend zijn.

Blijkens artikel 141 Rv van Aruba, Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden kan de rechter in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de overlegging bevelen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. De rechter beslist of die weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Dat zou in potentie een verstrekkende sanctie kunnen zijn, maar de rechter stelt zich in de praktijk terughoudend op.

In artikel 142 Rv vinden we een regeling ingeval die boeken, bescheiden of andere gegevensdragers zich onder derden bevinden. Het nadeel van beide bepalingen is dat het verzoek alleen hangende het geding kan worden gedaan. Het voordeel van deze bepalingen is het ruime toepassingsbereik, omdat enkele in artikel 843a Rv voorkomende beperkingen hier niet gelden.

Artikel 843a Rv kwam al even ter sprake (het inzagerecht ook wel de exhibitieplicht genoemd): een partij die daarbij rechtmatig belang heeft kan inzage, afschrift of uittreksel vorderen van met voldoende bepaaldheid aangeduide bescheiden of andere gegevensdragers aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden of andere gegevensdragers te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop en de voorwaarden waaronder inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft. Van een rechtmatig belang is bijvoorbeeld sprake wanneer de opgevraagde bescheiden, of de daaraan ontleende informatie, zullen worden gebruikt in een aanhangig te maken procedure (voor bewijs of tegenbewijs). Gelet op het belang dat mijns inziens moet worden toegekend aan het zoveel mogelijk kunnen vaststellen van de materiële waarheid, heb ik al eens een ruime toepassing van dit artikel bepleit.

Op 22 april 2014 wees het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een arrest waarin ook de exhibitievordering aan de orde kwam (ECLI:NL:GHARL:2014:3377). De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten. In die procedure heeft de vrouw gesteld geen cent te hebben en in kommervolle omstandigheden te leven. Volgens de man klopt die bewering niet en hij vordert dat de vrouw allerlei (met name genoemde) stukken aan hem laat zien. Het Gerechtshof gaat niet mee in dat verzoek. Zijn overwegingen zijn ook voor ons recht relevant.

Het Gerechtshof overweegt dat artikel 843a Rv een uitzondering vormt op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander hoeft af te geven (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA3529). Het standpunt van de man komt er in de kern op neer dat de vrouw met stukken dient aan te tonen dat zij “niets heeft en in kommervolle omstandigheden leeft“, zoals de vrouw volgens de man heeft gesteld. Volgens het Gerechtshof kan de man echter niet op grond van art. 843a Rv verlangen dat de vrouw tot onderbouwing van haar eigen stellingen wordt gedwongen. Daarvoor gelden de regels van het bewijsrecht, waarvan de hoofdregel luidt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt (art. 150 Rv).

Voor zover de man met zijn op art. 843a Rv gebaseerde vordering beoogt in het bezit te komen van stukken die steun zouden kunnen geven aan zijn eigen stellingen en waarvan hij vermoedt dat de vrouw erover kan beschikken, miskent hij volgens het Gerechtshof dat artikel 843a Rv hiervoor nadrukkelijk geen ruimte biedt. Het Gerechtshof verwijst in dit verband naar de conclusie van de A-G Strikwerda bij het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 (ECLI:NL: PHR:2000:AA4877), waaraan het volgende citaat is ontleend:

Art. 843a Rv biedt dus niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen. De voorwaarde dat de eiser partij moet zijn in de rechtsbetrekking waarop de opgevraagde documenten betrekking hebben, heeft kennelijk de strekking zulke “fishing expeditions” de pas af te snijden en kan daarom, zonder ingrijpen van de wetgever, niet uit art. 843a Rv worden weggedacht.

Je kunt dus lang niet altijd gedwongen worden om stukken aan de wederpartij te geven.

Het voordeel van de 843a-procedure is dat een verzoek kan worden gedaan zonder dat een hoofdprocedure omtrent het geschil aanhangig is of in het vooruitzicht is gesteld. Het (bijna) standaardverweer dat een verzoeker krijgt tegengeworpen is echter dat hij bezig is met een fishing expedition. Daaraan wordt dan meestal de conclusie verbonden dat de verzoekende partij (eigenlijk) geen zaak heeft, maar op zoek is naar informatie die hem wel aan een zaak zou kunnen helpen. Op zichzelf is het goed dat zuivere fishing expeditions worden tegengegaan. Daarvan was kennelijk sprake in de zaak waarover het Gerechtshof mocht oordelen.

Hoewel ik geen voorstander ben van (pre-trial) discovery proceedings zoals die in Amerika bestaan, lijkt het mij wel goed om na te denken over de vraag hoe we het burgerlijk procesrecht zo zouden kunnen inkleden dat de waarheidsvinding als uitgangspunt meer centraal komt te staan en voor een geschil relevante feiten eerder aan beide partijen ter beschikking staan.

Karel Frielink
(advocaat)

(2 mei 2014)

.

ps

Voor wie meer wil weten: J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht. Artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Kluwer 2010, dissertatie, 302 p.

Comments are closed.