ALS TWEE VERDACHTEN ONTKENNEN BESTUURDER TE ZIJN GEWEEST

Vrijspraak is een mogelijk gevolg

Het strafrecht bevat allerlei waarborgen die ervoor moeten zorgen dat er een eerlijk proces wordt gevoerd. Dergelijke voorschriften zijn nodig, bijvoorbeeld om (zoveel mogelijk) te voorkomen dat onschuldige mensen worden veroordeeld. Maar de keerzijde is dat er soms mensen worden vrijgesproken die eigenlijk hadden moeten worden veroordeeld. Wat te denken van de volgende zaak?

Twee jongens zijn in 2010 in Nederland op de vlucht geslagen voor de politie, nadat een overval die zij hadden gepland was verijdeld. Zij reden samen op één scooter. Een wilde achtervolging leidde tot een botsing met een voetganger die als gevolg daarvan overleed. Strafrechtelijk gaat het dan om plegen (of medeplegen) van doodslag, dood door schuld in het verkeer en gevaarzetting op de weg.

Beide jongens ontkenden de scooter te hebben bestuurd. Beiden hebben verklaard slechts bijrijder te zijn geweest. Op basis van forensisch onderzoek kon niet worden vastgesteld wie de bestuurder en wie de bijrijder was. Betrouwbare getuigenverklaringen waren niet voorhanden.

De rechtbank was tot het oordeel gekomen dat één verdachte moest worden vrijgesproken en de andere, omdat aannemelijk werd geacht dat hij de bestuurder was, moest worden veroordeeld voor doodslag.

In hoger beroep kwam de zaak terecht bij het Gerechtshof Arnhem dat op 29 mei 2012 uitspraak deed (ECLI:NL:GHARN:2012:BW6755). Kort gezegd kwam het Gerechtshof tot het oordeel dat beide verdachten moesten worden vrijgesproken van het plegen of medeplegen van doodslag, dood door schuld in het verkeer en gevaarzetting op de weg.

Het Gerechtshof achtte niet wettig en overtuigend bewezen wie de bestuurder is geweest van de motorscooter. Er was daarvoor geen technisch bewijs en evenmin betrouwbaar getuigenbewijs.

Het medeplegen werd niet bewezenverklaard, omdat uit het dossier van enige samenwerking of overleg tussen de bestuurder en de bijrijder bij de vlucht voor de politie niets is gebleken en van volstrekte inwisselbaarheid van de rollen van bestuurder en bijrijder geen sprake is. Bij die stand van zaken is voor strafrechtelijke aansprakelijkheid daarom beslissend, aldus het Gerechtshof, wie van beide verdachten de motorscooter bestuurd heeft. Omdat het Gerechtshof niet kon vaststellen wie van de beide verdachten de motorscooter heeft bestuurd, kon ook het alleen plegen van het tenlastegelegde niet bewezen worden verklaard.

Als beide verdachten ontkennen bestuurder te zijn geweest, en er verder geen bewijs is inzake de vraag wie de bestuurder is geweest, moet dus vrijspraak volgen, aldus het Gerechtshof. Daarover kan anders worden gedacht. Er kan zodanig zijn samengewerkt dat de verdachten geacht moeten worden het misdrijf samen te hebben gepleegd: zij zijn dan medeplegers. Dat blijkt uit het arrest in deze zaak van de Hoge Raad van 17 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1966).

Volgens de Hoge Raad is in een geval als dit, waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangend medeplegen van een ander strafbaar feit, niet uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds daarvoor – namelijk in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan. Het zou dus mogelijk kunnen zijn dat de samenwerking die er bestond voor het plegen van een overval, ook samenwerking oplevert als de verdachten worden betrapt, en gezamenlijk op één scooter op de vlucht slaan. De Hoge Raad:

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop de beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststellingen en overwegingen van het Hof, in het bijzonder wat betreft de voorbereiding van de overval en de directe reactie op het waarnemen van een politie-auto, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

De advocaat-generaal (degene die de Hoge Raad adviseert in cassatiezaken) merkt in zijn advies, nadat hij enkele andere zaken heeft besproken, het volgende op:

De onderhavige zaak verschilt van de zaken die ten grondslag lagen aan de zojuist besproken arresten in ieder geval in zoverre, dat de verdachten het niet op het slachtoffer hadden gemunt. Het (naar ik aanneem: gezamenlijke) doel was om aan de politie te ontkomen – hetgeen op zich niet strafbaar is . Bij de verwezenlijking van dat doel werden onverantwoorde risico’s genomen, die resulteerden in de dood van het slachtoffer. Het strafrechtelijke verwijt ligt daardoor in sterkere mate dan in de hiervoor besproken arresten op het niet-naleven van de wegenverkeerswetgeving, hetgeen door het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde wordt onderstreept. De vraag is of het daarom in dit geval wel van groot belang is wie het voertuig bestuurde. Het antwoord op die vraag lijkt af te hangen van een andere vraag, namelijk of het levensgevaarlijke rijgedrag van de bestuurder van de scooter, hoewel niet gericht tegen het slachtoffer, desondanks plaatsvond in het kader van de verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Als dat rijgedrag was ingecalculeerd in het oorspronkelijke plan om het hotel te beroven, kan mogelijk wel gesproken worden van handelen in bewuste en nauwe samenwerking. (…)

In dit verband kan worden gewezen op HR 9 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC0935, NJ 1992/773 m.nt. Kn. Na een geslaagde ramkraak op het postkantoor in Oirschot werden de in een auto vluchtende daders door de politie achtervolgd. De politieagenten staakten de achtervolging toen de overvallers, nadat zij een zijweg waren ingeslagen, hen aldaar opwachtten en het vuur op hen openden. Of de verdachte, die bijrijder van de vluchtauto was, een feitelijk aandeel in de overval en de pogingen tot moord op de agenten heeft gehad, kon niet worden vastgesteld. Toch werd hij als medepleger veroordeeld. Het Hof had overwogen dat de verdachte en zijn mededaders met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten “een zodanig hechte, intensief en planmatig nauw samenwerkende dadergroep vormden, dat niet van belang is wie van die personen welke rol bij of rond het plegen van die feiten heeft vervuld”. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat de verdachte toen zich daartoe een “duidelijke mogelijkheid” voordeed (namelijk toen de vluchtauto was gestopt om de agenten op te wachten), zich niet van het gebeuren had gedistantieerd, maar integendeel de vlucht met de anderen “in groepsverband” had voortgezet. Volgens de Hoge Raad getuigde het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Men kan zich afvragen of de Hoge Raad anders had geoordeeld als de bestuurder van de vluchtauto was ingereden op een agent die de weg trachtte te versperren of niet was gestopt voor een zebrapad waar een bejaarde voetganger aan het oversteken was. Als er vanuit moet worden gegaan dat, zoals het Hof overwoog, de inzittenden van de vluchtauto “het besluit hadden genomen om koste wat kost zich aan aanhouding door de politie te onttrekken”, lijkt er weinig reden om het bedoelde rijgedrag niet als uitvoering van het gezamenlijke besluit aan te merken. (…)

Voor zover in de overwegingen van het Hof als zijn oordeel besloten ligt dat voor het bewijs van medeplegen vereist is dat uit het dossier blijkt dat de beide verdachten hetzij vooraf, hetzij na het moment waarop zij zich betrapt voelden, expliciete afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop zij zich aan een (eventuele) aanhouding zouden onttrekken, getuigen die overwegingen van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag die het Hof had moeten beantwoorden is veeleer of een overhaaste, en vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid onverantwoorde, vlucht op de scooter bij een onverhoopte betrapping door de politie als een reële mogelijkheid in het plan om het hotel te beroven besloten lag. Als dat geval zou zijn, kan de bijrijder namelijk geacht worden tenminste voorwaardelijk opzet te hebben gehad op het rijgedrag van de bestuurder. Voor zover het Hof in bedoelde overwegingen ‘slechts’ als zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat in casu geen sprake was van enige voorafgaande samenwerking waarmee de vlucht op de scooter in verband stond, is dat oordeel in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten niet zonder meer begrijpelijk. Zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, wijst alles er juist op dat de verdachten zich hadden ingesteld op een snelle aftocht om te voorkomen dat zij ‘gepakt’ zouden worden. Ik voeg daaraan toe dat het er sterk op lijkt dat het naleven van de wegenverkeerswetgeving al voordat de verdachten er vandoor gingen niet hun eerste prioriteit lijkt te zijn geweest.

De uitspraak van het Gerechtshof wordt voor wat betreft het oordeel over medeplegen door de Hoge Raad vernietigd, en de zaak wordt naar een ander Gerechtshof verwezen om de zaak in zoverre in hoger beroep verder te behandelen. Mij is niet bekend of er al een vervolguitspraak is.

Karel Frielink
(advocaat)

(8 augustus 2014)

.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.