De bestuurstaak strekt zich uit tot dochterondernemingen
Recent heeft de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak tussen kort gezegd de VEB enerzijds en Philips anderzijds (beschikking van 10 oktober 2026; ECLI:NL:GHAMS:2026:2900). In die beschikking heeft de Ondernemingskamer enkele beschouwingen gewijd aan de taak en verantwoordelijkheid van de topholding, die hier (bijna) letterlijk worden weergegeven.
Indien sprake is van een concern, strekt de bestuurstaak van het bestuur van de topholding als leiding van het concern zich mede uit tot de daartoe behorende ondernemingen. De concrete inhoud en de reikwijdte van die concernleidingsplicht is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Welke eisen moeten worden gesteld aan de concernleiding is, in Nederland, in algemene termen beantwoord in de opeenvolgende versies van de Nederlandse Corporate Governance Code en is (logischerwijs) casuïstisch beantwoord in de rechtspraak. Daaruit valt met betrekking tot de bestuurstaak van een concernleider het volgende af te leiden.
“De concernleiding dient een adequate concerninrichting te implementeren, die past bij de aard en de risico’s van de onderneming(en) in kwestie. Zij dient daartoe geëigende interne systemen (zoals haar governance en management- en vergaderstructuren, informatiesystemen en haar interne audit en risico- en kwaliteitsbeheersystemen (…) te ontwikkelen, te implementeren en te handhaven en daarover verantwoording af te leggen (Nederlandse Corporate Governance Code, principe 1.2 1.4). De interne systemen dienen de concernleiding voldoende in staat te stellen toezicht op haar dochterondernemingen uit te oefenen (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2005:AR8831-Ahold) en moeten verder zodanig zijn ingericht dat de concernleiding op de hoogte is van relevante ontwikkelingen en inzicht heeft in risico’s voor de continuïteit van het concern als geheel (ECLI:NL:GHAMS:2018:2651-SNS Reaal). Tot slot dienen zij haar ook in staat te stellen aan haar eventuele openbaarmakingsverplichtingen te voldoen en zo nodig tijdig in te grijpen als het concernbelang dat vereist (ECLI:NL:HR:1990:AC1234-Ogem, rov 9.3).”
De rol van de topholding zal per soort concern verschillen. Het maakt daarbij bijvoorbeeld uit of er buitenlandse dochters tot het concern behoren en of er adequaat op wordt toegezien dat die dochters zich aan de daar geldende wet- en regelgeving houden. Evenzeer zal uitmaken welke activiteiten door die dochterondernemingen worden uitgeoefend, en of die, om een voorbeeld te noemen, liggen op het terrein van de volksgezondheid of op een terrein dat niet van maatschappelijk belang is.
Een goed punt in de beschikking is dat de Ondernemingskamer overweegt dat bij de beoordeling van wat van een topholding mag worden verwacht, moet worden gewaakt voor het gevaar van hindsight bias: de neiging om de voorspelbaarheid van gebeurtenissen in het verleden te overschatten: “Wanneer de uitkomst van een reeks gebeurtenissen bekend is, lijkt deze uitkomst immers waarschijnlijker, noodzakelijker of onvermijdelijker dan voordat de uitkomst bekend was.” Zie daarover K. Frielink, ‘Terugkijken door een vertroebelde bril. Over mentale misleiding: de invloed van hindsight bias, het Knobe-effect en gekleurde vraagstelling op aansprakelijkheid’, Nieuwsbrief Antilliaanse Juristen Vereniging 1 (2021-2022), p. 10-16.
Karel Frielink
(advocaat / rechtswetenschapper)
(14 oktober 2026)
.
.

