VRIENDSCHAPSVERDRAG KONINKRIJK EN VERENIGDE STATEN

Wanneer geldt vrijstelling van het stellen van cautie?

Op grond van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) hoeft een onderdaan van de Verenigde Staten, die in Nederland (of elders in het Koninkrijk) een procedure aanhangig maakt, geen zekerheid voor de proceskosten te stellen. Omgekeerd geldt hetzelfde. Het begrip ‘onderdaan’ wordt in de rechtspraak niet eenduidig uitgelegd. De kernvraag is of het bij het begrip ‘onderdaan’ gaat om de nationaliteit van de betrokken persoon (dus of de persoon een staatsburger is) dan wel of het voldoende is dat de betrokken persoon zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in de andere verdragsstaat, ongeacht wat zijn nationaliteit of staatsburgerschap is.

Blijkens Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 12 april 2017, ECLI:NL:OGEAA:2017:271 (Eisers/Banco di Caribe) gaat het bij het begrip onderdaan om de nationaliteit. Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 27 juni 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:390 (Green Card holder) overweegt dat met onderdaan in de zin van het Verdrag is bedoeld of de betrokken procespartij staatsburger is van een van de verdragsluitende partijen (r.o. 2.6). Dat lijkt mij juist.

Er zijn ook uitspraken waarbij voor toepassing van het Verdrag voldoende wordt geacht dat een partij woonachtig is in een van de verdragsstaten en de vraag naar de nationaliteit niet aan de orde wordt gesteld. Zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam 9 juli 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD9258 (A/Stichting Greenpeace Council) en Rb Amsterdam 17 april 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1382 (A/O’Donnells Irish Pub). In deze laatstgenoemde zaak is tussen partijen in geschil of eiser (sub 1) in de hoofdzaak enkel woonachtig is in de Verenigde Staten of ook in het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank overweegt: “Op grond van dit verdrag is het derhalve niet mogelijk om aan een natuurlijk persoon woonachtig in de Verenigde Staten een zekerheidsstelling op te leggen.”

De rechtbank verwijst in dat verband naar de noot van H.F. van Rijswijk onder JBPr 2008/46 (Rb Amsterdam 9 juli 2008), die opmerkt dat nogal eens nagelaten wordt een beroep te doen op het met de Verenigde Staten van Amerika geldende Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart, op grond waarvan een natuurlijk persoon of onderneming die woonachtig of gevestigd is in de Verenigde Staten en die in Nederland als eisende partij optreedt, is vrijgesteld van het stellen van cautie.

Voor Hof Leeuwarden 20 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9653 (Appellant/VDR) is ook enkel de woonplaats van belang: “Op grond van hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd, neemt het hof als vaststaand aan dat [appellant] thans woonachtig is in de Verenigde Staten. Aan de ongemotiveerde betwisting door VDR c.s. in hun memorie van 21 februari 2012 dat [appellant] daadwerkelijk in de Verenigde Staten woonachtig zou zijn, waar zij eerder nog het vermoeden uitspraken dat [appellant] in El Paso zou wonen, gaat het hof voorbij. Gegeven zijn woonplaats in de Verenigde Staten, brengen de hiervoor aangehaalde bepalingen van het verdrag mee dat [appellant] zich terecht beroept op de uitzondering van art. 224 lid 2 aanhef en onder a Rv.”

Blijkens Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 12 augustus 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:211, JOR 2025/249 (Appellanten/Land Sint Maarten) heeft de discussie zich in die procedure toegespitst op de woonplaats of gewone verblijfplaats en niet op de nationaliteit (het zijn van burger van een van de verdragsstaten). In deze zaak hebben twee van de appellanten (natuurlijke personen) aangegeven in de Verenigde Staten van Amerika te wonen. Door het Gerecht is in eerste aanleg aangenomen dat zij woonplaats of gewone verblijfplaats in India hebben. In hoger beroep overweegt het hof dat appellanten onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat zij geacht moeten worden hun woonplaats of gewone verblijfplaats in India te hebben (r.o. 3.18). In mijn interpretatie van het Verdrag is de woonplaats of gewone verblijfplaats niet relevant. Het gaat immers om de nationaliteit (het staatsburgerschap) van een partij en de vraag waar die procespartij woonachtig is, in of buiten een van de verdragsstaten, is daarbij niet relevant.

In het Verdrag zelf is het begrip ‘onderdaan’ niet gedefinieerd. Als naar de inhoud van het Verdrag en de onderlinge samenhang van de bepalingen in het Verdrag wordt gekeken, dan ligt het voor de hand aan te nemen dat onderdanen diegenen zijn die de Amerikaanse dan wel de Nederlandse nationaliteit hebben (verworven). Die uitleg past bij hoe het begrip onderdaan normaal gesproken wordt begrepen. In artikel II onder 3 van het Verdrag is onder meer bepaald dat het onderdanen van de ene staat is geoorloofd om binnen het grondgebied van de andere staat vrijelijk te reizen en te wonen op plaatsen van hun keuze. Als de woonplaats bepalend zou zijn voor de vraag of een persoon onderdaan is in de zin van het Verdrag, dan zou eenieder die niet de nationaliteit heeft van een van de verdragsstaten, maar wel in één van beide woont, vrijelijk in de andere staat mogen reizen en wonen. Het is niet goed denkbaar dat de verdragsstaten de deur zo wijd open hebben willen zetten.

Ten aan zien van schepen onder Amerikaanse dan wel Nederlandse vlag is in artikel XIX bepaald dat zij zullen worden geacht schepen te zijn van die Staat, zowel in volle zee, als in de havens, plaatsen en wateren van de andere Staat, op voorwaarde dat de schepen zijn voorzien van de vereiste scheepspapieren ten bewijze van hun nationaliteit. Hier wordt in het Verdrag uitdrukkelijk aangeknoopt bij het begrip nationaliteit.

Het zou goed zijn als over dit vraagstuk, nationaliteit tegenover woonplaats en gewone verblijfplaats, duidelijkheid zou worden verschaft.

Karel Frielink
(advocaat / rechtswetenschapper)

(17 november 2025)

.

.

Comments are closed.