NIET-GEANONIMISEERDE OPENBAARMAKING

Naming and shaming in relatie tot lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes

Er is in Nederland al heel lang discussie over de niet-geanonimiseerde openbaarmaking van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes. Het op deze wijze bekendmaken (zelfs zonder dat de rechtsmiddelen daartegen al zijn aangewend, laat staan uitgeput) leidt makkelijk tot (ernstige) imagoschade. Ik heb mij daar meerdere keren in de literatuur tegen verzet en zelfs een wetsvoorstel geformuleerd om dit beter te regelen. Zie K. Frielink, ‘Herzien publicatieregime boetes en dwangsommen’, Tijdschrift Financieel Recht in de Praktijk 2015/2, p. 39-43; en K. Frielink, ‘Openbaarmaking door de financiële toezichthouders’, in: D. Busch en M.P. Nieuwe Weme (red.), Christels Koers (Liber Amicorum prof.mr. drs. C.M. Grundmann-van de Krol), Deventer: Kluwer 2013, p. 253-263; klik hier). Helaas zonder succes.

In Curacao en Sint Maarten luidt de wettelijke regeling anders (ik schreef daar eerder over). Die komt er op neer dat de Centrale Bank (de CBCS) de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie een last onder dwangsom of bestuurlijke boete is opgelegd ter openbare kennis mag brengen, maar alleen dan als het doel van het door de Centrale Bank uit te oefenen toezicht op de naleving van de wet zulks bepaaldelijk vordert en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten, waaronder die van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd.

In Nederland was het uiteindelijk wachten op de rechter. Uit een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:102, JOR 2025/116 m.nt. S.M.C. Nuijten) volgt dat de toezichthouder (in Nederland gaat het in het kader van de Wet op het financieel toezicht om DNB en AFM) een afweging dient te maken waarbij het maatschappelijke belang van een volledige (niet-geanonimiseerde) openbaarmaking wordt afgezet tegen de mate van schade die deze openbaarmaking voor de betrokken partij met zich brengt. Bij deze beoordeling dienen de door de wetgever beoogde doelen van openbaarmaking te worden betrokken. De doelen die in het algemeen worden nagestreefd met openbaarmaking en de belangen die daarmee worden gediend, zijn: (1) het doel het publiek zo ruim mogelijk kennis te kunnen laten nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden daarvoor, (2) het doel andere instellingen die onder toezicht staan te laten weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en inzicht te laten krijgen in de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft, (3) het doel personen die door de inbreuk schade hebben geleden eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend te kunnen laten maken en (4) het doel andere personen en ondernemingen die onder toezicht staan te ontmoedigen om overtredingen te begaan.

Dit betekent dat de toezichthouder de belangen die met het nastreven van deze vier doelen worden gediend, moet betrekken in zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat in het concrete geval met openbaarmaking wordt gediend. Bij deze beoordeling wordt dan relevant geacht dat de wetgever als hoofdregel heeft gekozen voor verplichte en volledige openbaarmaking van sanctiebesluiten.

Dat laatste, wat ik zie als een verkeerd uitgangspunt, hangt samen met de opvatting dat de publicatie van een bestuurlijke boete niet punitief van aard zou zijn. Het opleggen van een boete heeft een punitief karakter, en in de openbaarmaking ligt zonder meer een punitief element besloten, waaruit het risico volgt dat artikel 6 EVRM wordt geschonden. Hoe dit ook zij, dankzij rechterlijk ingrijpen zijn de scherpe kantjes van de Nederlandse regeling eraf.

Karel Frielink
(advocaat / rechtswetenschapper)

(2 april 2026)

.

Zie voor de huidige praktijk in Nederland: J.S. Roepnarain en P.L. Reeser Cuperus, ‘De publicatie van boetebesluiten door DNB en de AFM’, Tijdschrift voor Sanctierecht & Onderneming, 2025/1-2, p. 61-71; en A.J. Boorsma, M. Koppenol en W.J. Poot, ‘Kroniek Toezicht en Handhaving’, Tijdschrift voor Financieel Recht 2025/12, p. 351-360.

.

Leave a comment