BETERE AFSTEMMING WETGEVING BINNEN HET KONINKRIJK DRINGEND GEWENST
Herhaalde oproep voor het instellen van een gemeenschappelijke Caribische wetgevingsraad
Op grond van artikel 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden worden het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het strafrecht, de strafvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, en de bepalingen omtrent maten en gewichten in Nederland (inclusief de BES-eilanden), Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld. Dit betreft het zogeheten concordantiebeginsel, dat voor alle landen van het Koninkrijk gelijkelijk geldt. Het administratieve recht en het financiële recht behoren hier overigens niet toe.
Hoewel het rechtspersonenrecht tot het burgerlijk recht behoort, zijn de verschillen tussen de vier landen van het Koninkrijk aanzienlijk. Binnen één land bestaan er ook intern verschillen: tussen Nederland en de BES-eilanden, die elk een eigen Boek 2 BW hebben. Ter vergelijking: in de loop der eeuwen zijn de regels van het schaakspel meerdere keren aangepast, maar het uitgangspunt – in ieder geval sinds de Perzen het spel over de wereld gingen verspreiden – is steeds ‘universele spelregels’ geweest. Het hanteren van een uitgangspunt (concordantie in ons geval) is dus heel goed mogelijk, maar bij het maken van wetgeving op het vlak van in het bijzonder het rechtspersonenrecht (en ook het personenvennootschapsrecht) gaat het nog steeds niet goed. Met een beroep op het concordantiebeginsel, waarvan naleving nota bene een plicht is, wordt wat deze wetgeving betreft al decennia gepleit voor (meer) uniformiteit, maar zonder veel succes.
De voordelen van concordantie (convergentie) zijn evident. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft er, net als bijvoorbeeld de advocatuur, belang bij dat de wetgeving van de diverse (ei)landen niet te veel uiteenloopt. Door waar mogelijk te kiezen voor gelijke of vergelijkbare bewoordingen wordt de toegankelijkheid en daarmee praktische hanteerbaarheid van de regelingen bevorderd. Bovendien kan de Caribische rechtspraktijk profiteren van de literatuur en rechtspraak in Nederland, en omgekeerd. Deze convergentie of concordantie voorkomt tegelijkertijd dat het functioneren van de Hoge Raad onnodig ingewikkeld wordt gemaakt. Ook de overige gebruikers van het rechtspersonenrecht hebben belang bij gelijke of vergelijkbare regelingen. Denk bijvoorbeeld aan particulieren en ondernemers die gebruik maken van rechtspersonen die zijn opgericht in een ander deel van het Koninkrijk. Van allerlei ‘Nederlandse’ holdingstructuren maken Caribische rechtspersonen deel uit. Het belang van herkenbaarheid en rechtszekerheid die een behoorlijke mate van uniformiteit meebrengt moet niet worden onderschat.
Het concordantiebeginsel – dat als gezegd over en weer geldt – wordt op vele terreinen in acht genomen: denk aan de meeste boeken van het Burgerlijk Wetboek, het burgerlijk procesrecht en het straf(proces)recht. De regelingen zijn niet identiek, maar wijken soms op onderdelen van elkaar af, omdat de praktijk daartoe noopt. Dat is ook niet bezwaarlijk. Als gezegd is de ontwikkeling van het rechtspersonenrecht in de vier constituerende landen van het Koninkrijk echter wezenlijk verschillend. Dat in dat verband het rechtspersonenrecht in het Europese deel van het Koninkrijk op veel punten verschilt van dat van de Caribische delen van het Koninkrijk komt (mede) door de Europese richtlijnen.
In meerdere publicaties, en ook als een van de stellingen bij mijn proefschrift, heb ik aangegeven dat het beginsel van concordantie van wetgeving onvoldoende in acht wordt genomen, en dat het instellen van een Raad voor de Wetgeving voor de Caribische delen van het Koninkrijk (inclusief de BES-eilanden) niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk is.
Hoezeer het wellicht politiek-maatschappelijk begrijpelijk is dat in deze fase van de geschiedenis de samenwerking binnen het Koninkrijk niet altijd even optimaal is, zal desondanks het uitgangspunt dienen te zijn dat voor divergentie en disconcordantie een rationele, rechtspolitieke rechtvaardiging vereist is. Het beginsel van de rechtszekerheid brengt dat met zich. Het is daarom wenselijk dat er voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden een Gemeenschappelijke Wetgevingsraad komt, die vroeger ook wel Interinsulaire Raad voor de Wetgeving is genoemd. Die Raad stelt de wetgeving niet vast, maar doet voorstellen met concordantie als uitgangspunt. Als een van de wetgevers van een voorstel zou willen afwijken zou dat uiteraard kunnen, maar dat dient dan wel goed gemotiveerd te worden.
Hopelijk vindt de oproep thans gehoor.
Karel Frielink
(advocaat / rechtswetenschapper)
(26 januari 2026)
.
Bronnen:
J. de Boer ‘Inleiding’, TAR-Justicia 3/4 (2010), p. 160.
J.B. Wezeman en K. Frielink, ‘Caribisch rechtspersonenrecht’, WPNR 2011/6898, p. 707.
Stelling 2 bij mijn proefschrift (K. Frielink, De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht. Over rechtsbeginselen, aansprakelijkheid en verplichtingen (diss. Curaçao) (Serie vanwege het Van der Heijden Instituut nr. 174), Deventer: Wolters Kluwer 2022) luidt: “Het beginsel van concordantie van wetgeving wordt onvoldoende in acht genomen. Het instellen van een Raad voor de Wetgeving voor de Caribische delen van het Koninkrijk (inclusief de BES-eilanden) is niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk.“
K. Frielink en J.J.A. Hamers, ‘Rechtspersonen en personenvennootschappen. Terugkijken en vooruitzien vanuit Caribisch perspectief’, in: W.H. van Boom e.a. (red.), Vooruitgedenkboek Burgerlijk Wetboek 1992-2022, Den Haag: Boom juridisch 2023, par. 14.3 (p. 247-249).
K. Frielink, Kort begrip van het Nederlands Caribisch en Surinaams Rechtspersonenrecht (2e herziene druk), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 1.6.
.



